• Europa rond de eeuwwisseling

    Rond de eeuwwisseling beleeft Europa een periode van explosieve groei.

    De industriële activiteiten nemen toe. Spoorwegen en stoomschepen vergemakkelijken het transport. Steden barsten uit hun voegen. Voor het eerst vliegen mensen in toestellen die zwaarder zijn dan lucht en rijden ze in voertuigen zonder paarden. Sport maakt mensen fitter en gezonder. Al die nieuwe inzichten en uitvindingen leiden tot een euforisch geloof in de vooruitgang. Maar tegelijk duikt de vrees op dat de krachten van het machinetijdperk los zullen slaan en zich tegen de mens zullen keren.

    In de periode vóór de Eerste Wereldoorlog waren alle ingrediënten aanwezig voor een bewapeningswedloop: nieuwe technologieën en materialen voor een zwaardere bewapening, kapitaalkrachtige industriële concerns, imperialistische regeringsleiders en een bevolkingstoename die de uitbreiding van de legers mogelijk maakte.

    In 1914 stonden de Europese keizers en koningen op het toppunt van hun macht. Binnen hun eigen landsgrenzen hielden ze vaak bevolkingsgroepen van verschillende nationaliteiten onder controle. Buiten Europa oefenden ze hun koloniale macht uit over talrijke vreemde volkeren. Hun overzeese rijken brachten Britten, Fransen, Duitsers, Belgen, Nederlanders, Portugezen en Italianen welvaart en macht. Die machtspositie werd echter vanuit verschillende hoeken bedreigd. Etnische minderheden kwamen op voor hun rechten: de Ieren in het Verenigd Koninkrijk, de Bosniërs in Oostenrijk-Hongarije ....

    Mensen werden trots op hun volk, hun taal, hun cultuur en verzetten zich tegen vreemde overheersers. Nationalistische gevoelens werden in alle toonaarden geuit en bezongen.

  • Bondgenootschappen

    In de periode rond de eeuwwisseling was Europa het toneel van een ingewikkeld machtsspel. De grootmachten schoven als volleerde schakers met bondgenootschappen, verdragen en allianties heen en weer. Daarbij hielp het dat heel wat regerende koningshuizen familie waren van elkaar. Zo was de Britse koning tegelijk verwant aan de Duitse keizer en aan de Russische tsaar.

    Uiteindelijk kwamen er twee grote machtsblokken tegenover elkaar te staan: de Triple Alliance en de Triple Entente. De Triple Alliance en de Triple Entente waren militaire samenwerkingsakkoorden. Als twee van de zes landen aan het vechten sloegen, werden de andere vier er automatisch bij betrokken. Door deze allianties lag vanaf 1907 het recept voor een grote oorlog, een wereldoorlog, klaar.

    Naast de twee grote bondgenootschappen hadden de grootmachten links en rechts ook nog verdragen gesloten met kleinere landen. Zo werd Servië gesteund door Rusland. Een gevaarlijke situatie, want Servië was een vijand van Oostenrijk-Hongarije. Een conflict tussen Servië en de dubbelmonarchie zou dus Rusland kunnen meesleuren, en daarmee de rest van Europa. De tijdbom tikte.

    De wereld buiten Europa speelde in 1914 nog niet mee. Afrika en Azië waren vrijwel volledig gekoloniseerd door Europese staten. De Verenigde Staten hielden zich voorlopig buiten de burenruzies op het oude continent. Pas in 1917 zouden ze de oorlog instappen.

  • De grote machten

    Bondgenootschappen kwamen niet toevallig tot stand. Achter de papieren allianties schuilden langdurige conflicten en tegenstrijdige belangen. De grootste bedreiging voor het evenwicht in Europa was de opmars van het Duitse Rijk. Het Duitse Rijk was een jonge staat in 1914. Eeuwenlang was het een lappendeken van onafhankelijke koninkrijken, hertogdommen en kleinere gebieden. Het was maar op het eind van de 19de eeuw dat onder leiding van Pruisen de Duitse eenmaking tot stand kwam. In 1871, na een verpletterende overwinning op Frankrijk werd het Duitse Rijk uitgeroepen. De nieuwe staat kende niet alleen een enorme stijging van de bevolking maar ook op economisch vlak ging het voor de wind. Op politiek, militair en koloniaal vlak bleef het echter een tweederangsrol spelen. Tenminste zo dachten de Duitsers er zelf over. Onder Keizer Wilhelm II, die bekend stond om zijn arrogantie, moest dit veranderen. Duitsland zou vechten voor zijn plaats onder de zon. De andere grootmachten voelden zich bedreigd door de bloei van Duitsland. Frankrijk was bang om volledig in de schaduw te worden gesteld. Er waren minder inwoners - 39 miljoen Fransen tegenover 65 miljoen Duitsers - en ook de Franse economie was minder sterk. Frankrijk had echter zijn kolonies in Afrika en Azië. Het land koesterde ook nog sterke wraakgevoelens voor de nederlaag in 1870. Het verlies van Elzas-Lotharingen was nooit verwerkt. Rond de eeuwwisseling was Groot-Brittannië op het toppunt van haar kunnen. Het Britse Rijk regeerde over grote delen van de aardbol. De basis van deze overheersing lag in de Britse heerschappij op zee. De Britten berekenden dat hun vloot minimum even groot diende te zijn als de tweede en derde grootste vloten samen. Toen de Duitsers hun eigen vloot uitbouwden, voelden de Britten zich rechtstreeks bedreigd. 

  • Nationalisme

    Een tweede gevaar, naast de Duitse machtsuitbreiding, was het nationalisme. Volkeren wilden een eigen staat, staten wilden zich uitbreiden.

    Vooral voor Oostenrijk-Hongarije, de Duitse bondgenoot in Midden-Europa en de Balkan, was het nationalisme een gevaar. De dubbelmonarchie telde namelijk niet minder dan twaalf verschillende etnische groepen. Bovendien lieten jonge buurlanden als Servië en Roemenië een begerig oog vallen op delen van de veelvolkerenstaat.

  • Conflicthaarden

    Het machtsspel van de grote mogendheden had Europa ook vóór 1914 al een paar keer aan de rand van de oorlog gebracht. In 1908 had Oostenrijk-Hongarije, tot grote woede van Rusland en Servië, Bosnië-Herzegovina geannexeerd. In 1911 kreeg Duitsland het aan de stok met Frankrijk en Groot-Brittannië over Marokko. In 1912 en 1913 woedden de Eerste en de Tweede Balkanoorlog. Turkije verloor bijna al zijn Europese gebieden, maar de grootmachten kwamen nog niet tussenbeide.

    Toch zou er in de zomer van 1914 een wereldbrand uitbreken. De vonk werd aangestoken in de Balkan, het 'kruitvat van Europa'. Een incident in Sarajevo zorgde ervoor dat het broze Europese machtsevenwicht als een kaartenhuisje ineenstortte.

  • Ieper als middeleeuwse stad

    Iepers faam en welvaart bereikte een hoogtepunt in de Middeleeuwen. Laken uit Ieper, Ypres (de Franse en Engelse naam) of Ypern (Duits) werd tot in Rusland toe verhandeld. De Engelse dichter Geoffrey Chaucer verwijst in zijn beroemde Canterbury Tales naar het vakmanschap van de wevers van 'Ipres and Gaunt' (Ieper en Gent).

    Het originele gebouw van de Lakenhallen, voor zijn tijd een verbazingwekkende constructie, werd opgetrokken tussen 1260 en 1304 en diende tegelijk als markt- en opslagplaats voor wol en laken. De stad had toen een drukke haven en het grootste deel van de wol werd per boot aangevoerd. Boten kwamen de stad binnen via de Ieperlee (nu een overwelfde rivier) en meerden naast de Lakenhallen aan. Het was makkelijker om goederen over water te transporteren dan over land. De Vlaamse polders waren immers op de zee veroverd, en waren en zijn nog steeds erg drassig.

    Een tijd lang deelden Ieper, Gent en Brugge de controle over de streek. In 1383, tijdens de Honderdjarige Oorlog, werd Ieper echter twee maanden lang belegerd door een Engels leger, ondersteund door troepen uit Gent. De zowat 20.000 inwoners hielden stand, maar de stad werd afgesneden van de levensbelangrijke toevoer van Engelse wol. De handel leed onherstelbare schade.

    Ieper lijkt nog altijd op het bloeiende middeleeuwse handelscentrum dat het ooit was. Maar geen enkel gebouw in de stad dateert van vóór 1918. Ieper werd tijdens de Eerste Wereldoorlog zo grondig verwoest dat een ruiter dwars door de stad heen kon kijken. Nauwelijks enkele weken na de wapenstilstand kwamen de mensen terug en probeerden hun stad weer bewoonbaar te maken. De Kathedraal was klaar in 1930 en het Belfort van de Lakenhallen werd in 1934 trouw gereconstrueerd. De heropbouw van de Lakenhallen zelf werd pas in 1967 voltooid.

  • Ieper vóór de Grote Oorlog

    Vóór 1914 was Ieper een welvarend provinciestadje met een roemrijk verleden. Met zijn Rijschool en infanteriekazerne was het een garnizoensstad. Dankzij de aanwezigheid van vele officieren kon een niet te verwaarlozen groep Ieperlingen een comfortabel en zelfs vrij mondain bestaan leiden. De rest van de inwoners leefde van de productie van lint, kantwerk, katoen en zeep. De stad trok toeristen aan die vooral de Lakenhallen wilden bezoeken, het grootste niet-religieuze gotische gebouw in heel Europa en een monument dat eeuwen van periodieke belegering en oorlog had overleefd.

    Voor de rest viel er in het Ieper van vóór 1914 weinig te beleven. De ophefmakende kop in de lokale krant 'Een dodelijke slag aan een aantal herbergiers' sloeg op de voorgestelde afschaffing van twee verlofdagen in de carnavalsperiode. Wat betreft de meest dringende nationale kwestie, de legerhervorming van 1913 die de dienstplicht veralgemeende, leken de katholieke notabelen zich meer zorgen te maken over de eventuele schadelijke invloed van het kazerneleven op hun opgroeiende zonen dan over de verdediging van het vaderland.

  • De Ieper Salient

    Waarom werd de naam Ieper - of 'Wipers', zoals de Britse soldaten het Franse 'Ypres' uitspraken - tijdens de Eerste Wereldoorlog zo berucht? En wat was de Ieper Salient? 'Saillant' is een militaire term uit het Frans. Het is een stuk grond dat zó ver vooruitspringt in de vijandelijke linie dat de vijand er dwars doorheen kan schieten. Voor de verdedigers was het een plek waar een kogel je zowel van voren als van achteren kon treffen - en ook van opzij.

    Het front bij Ieper vormde zo'n saillant, een halfronde uitstulping naar het oosten die afwisselend kromp en uitzette wanneer de vrijwel ononderbroken vijandelijkheden uitgroeiden tot een grote veldslag, wat drie keer is gebeurd. Dat het front al meteen bij het begin die eigenaardige vorm had, kwam doordat het samenviel met de heuvels bij Ieper, die vanuit Klerken in het noorden ongeveer een halve cirkel rond de stad vormen via Passendale, Geluveld en Wijtschate tot in Mesen in het zuiden. (Die heuvelrij rond Ieper is overigens niet te verwarren met het heuvelland ten zuidwesten van Ieper dat, met enige overdrijving, de West-Vlaamse bergen wordt genoemd.)

    Vanuit de stad zijn de heuvels niet te zien. Maar op de 'toppen', die overigens nooit hoger zijn dan 85 meter, zie je op een heldere dag meteen het strategische belang ervan. Beneden ligt Ieper: een weerloos doelwit, net als de infanterie die de stad verdedigde vanuit de loopgraven van de Salient en de artillerie verderop. Aanvankelijk waren er nog bomen en gebouwen om troepen en geschut te verbergen, maar tegen het einde van 1917 stond er geen huis of boom meer recht.

  • De legers

    Verenigd Koninkrijk

    Het Verenigd Koninkrijk had als enige grootmacht een beroepsleger. Dat was dan ook vrij klein: nog geen 200.000 man. Daarnaast waren er nog reservisten, en natuurlijk de marine. De landmacht droeg een kaki uniform.

    Meteen na het uitbreken van de oorlog begonnen er massaal vrijwilligers toe te stromen. In 1916 werd bovendien de dienstplicht ingevoerd. Daardoor waren er op het einde van het oorlog maar liefst 5 miljoen Britse soldaten.

    België

    De Duitse troepenmacht die België binnenviel, bestond uit maar liefst 850.000 modern bewapende en goed getrainde soldaten. België kon daar maar weinig tegenover stellen. Ondanks de invoering van de dienstplicht in 1913 telde het Belgische leger in totaal maar 200.000 man. De bewapening was verouderd en onvoldoende, een duidelijk verdedigingsplan ontbrak en de opleiding schoot tekort. Daar konden de vele enthousiaste oorlogsvrijwilligers weinig aan veranderen.

    Duitsland

    De Duitse machtsuitbreiding en het nationalisme dreigden het broze machtsevenwicht in Europa te verstoren. Het gevolg was een snelle wapenwedloop. De meeste landen breidden ook hun leger gevoelig uit.

    Het Duitse Rijk had in totaal niet minder dan 3,8 miljoen man onder de wapens. Ze droegen een nieuw, veldgrijs uniform. De Duitse reserves waren veel beter opgeleid en bewapend dan de Franse. Duitsland had ook veel zwaardere kanonnen. De vloot was na de Britse de tweede ter wereld. Bovendien konden de Duitsers gebruikmaken van zeppelins voor verkenningsvluchten en luchtbombardementen.

    Rusland

    Rusland had het grootste leger van allemaal. De meeste soldaten waren echter slecht uitgerust en opgeleid. Toch waren de Duitsers bang van de 'Russische pletwals'.

    Maar meteen al in augustus 1914 versloegen ze de Russische beer aan het oostfront. De dreiging was voorlopig afgewend.

    Oostenrijk-Hongarije

    Het leger van Oostenrijk-Hongarije was wel groot, maar het telde te veel verschillende nationaliteiten. Driekwart van de manschappen was niet van Duitstalige afkomst. Dat maakte het leger moeilijk te leiden.

    Frankrijk

    Frankrijk had een even groot leger als Duitsland: 3,8 miljoen. De Fransen gebruikten lichtere kanonnen dan de Duitsers. Die waren wel erg wendbaar en snel, maar tegelijk een stuk minder krachtig. De manschappen droegen nog steeds hun oude, opvallende outfit: een blauwe tuniek en een rode broek. Het waren al te opvallende kleuren, die heel wat soldaten het leven zouden kosten.

  • Het plan Von Schlieffen

    Duitsland werd aan twee kanten ingesloten door vijanden: Frankrijk en Rusland. Die hadden in 1893 een militair bondgenootschap gesloten. Dat stelde Duitsland voor een lastig probleem: als het een van de twee aanviel, kreeg het meteen twee tegenstanders tegenover zich en dan nog wel op twee fronten tegelijk.

    Om zo'n tweefrontenoorlog te voorkomen, had de Duitse generale staf een plan: het Schlieffen-plan, naar de toenmalige Duitse stafchef, graaf Alfred von Schlieffen.

    Het Schlieffen-plan draaide helemaal rond snelheid en timing. De Duitsers berekenden dat Rusland 6 weken nodig zou hebben om zijn leger te mobiliseren. Zelf had Duitsland maar 2 weken nodig, net als Frankrijk. Daarom gokten de Duitsers op een snelle overwinning binnen zes weken tegen Frankrijk. Wanneer de Fransen verslagen waren aan het westelijke front, zouden de Duitsers ongestoord de Russen kunnen aanpakken aan het oostelijke front. Althans, dat was de bedoeling.

    De Fransen zouden de Duitse aanval via Elzas-Lotharingen verwachten, dacht Schlieffen. Sinds de Frans-Duitse oorlog, toen de Duitsers het gebied hadden veroverd, had Frankrijk aan zijn nieuwe oostgrens een gordel van versterkte forten aangelegd. Om die te ontwijken, besloot Schlieffen Frankrijk via het noorden aan te vallen. De Franse grens met België was nauwelijks verdedigd. Dan zouden de Duitsers snel naar Parijs doorstoten en het Franse leger van achteren aanvallen en vernietigen.

    België

    Er was één grote moeilijkheid met het Schlieffenplan: België was sinds zijn ontstaan in 1830 een neutraal land. Sterker nog, Duitsland was een van de 'garanten': samen met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Oostenrijk en Rusland had het destijds plechtig beloofd om de Belgische neutraliteit blijvend te beschermen. Toch hielden de Duitsers vast aan het Schlieffenplan. Over eventuele tegenstand in België maakten ze zich weinig zorgen. Dat landje zou zich wel niet durven te verzetten, dachten ze.

    Frankrijk

    De Franse grens met België was inderdaad nauwelijks verdedigd. Die fout in de Franse strategie had verschillende oorzaken. De belangrijkste was de doctrine van het 'offensive à outrance', het geloof in de kracht van de aanval tot het uiterste. Voor de Franse militaire strategen was aanvallen nobel en eervol, verdedigen achterbaks en laf.

    De Fransen geloofden ook niet dat de Duitsers de neutraliteit van België zouden schenden, want daardoor zouden ze Engeland in het conflict betrekken. Bovendien geloofde de Franse opperbevelhebber Joffre dat een omtrekkende beweging van de Duitsers juist een goede zaak zou zijn, omdat ze dan in het centrum kwetsbaar werden. Een Franse generaal drukte het zo uit: 'Des te beter voor ons als ze tot in Rijsel geraken. We snijden het Duitse leger gewoon in tweeën!'

    Maar de Fransen hielden geen rekening met de inzet van vijandelijke reservetroepen. Daardoor konden de Duitsers tegelijk in het westen aanvallen en in het centrum standhouden.

    Toen de oorlog eindelijk losbarstte, deden de Fransen precies wat de Duitsers hadden verwacht. Ze hadden al hun kracht geconcentreerd in Elzas-Lotharingen en hun noordelijke grens verwaarloosd. Daardoor konden de Duitse legers in augustus 1914 snel door België en Noord-Frankrijk trekken en oprukken naar Parijs. Ze dreven de Franse en Britse legers voor zich uit. Het zag ernaar uit dat Duitsland de tegenstand van de Geallieerden zoals gepland binnen zes weken zou oprollen.

    Een mislukking

    Toch werd het Schlieffenplan een paar weken later een fiasco. Vlak voor Parijs besloot generaal von Kluck, de bevelhebber van het meest westelijke Duitse leger, om af te wijken van het plan. In plaats van door te stoten naar Parijs, boog hij af naar het zuidoosten. Op die manier gaf hij zijn tegenstanders de gelegenheid om zich te hergroeperen en hem in de flank aan te vallen. Dat gebeurde in de slag bij de Marne, waar 2 miljoen soldaten aan deelnamen.

    Waarom weken de Duitsers af van hun oorspronkelijke plan? Was von Kluck bang om geïsoleerd te raken van zijn bevoorrading? Waren zijn manschappen te uitgeput van het dagenlang marcheren? We zullen het nooit zeker weten.

    Het Schlieffenplan zag er prachtig uit op papier, maar het liep onherroepelijk vast in de chaos en de verwarring van de eerste oorlogsdagen. Net als de Fransen hadden de Duitsers niet ingezien dat een oorlog op deze schaal door niemand in de hand kon worden gehouden.

    Na de slag bij de Marne moesten de Duitsers zich terugtrekken. Na enkele weken liepen ook de bewegingen van de Geallieerden vast in de modder van Noord-Frankrijk en de IJzervlakte. Van de Noordzee tot aan de Zwitserse grens ontstond een dubbele, ononderbroken lijn van versterkte loopgraven. De bewegingsoorlog was verzand in een bloedige patstelling, die vier jaar lang zou aanslepen. Voor die patstelling waren honderdduizenden mensen gestorven, gesneuveld en vermoord.

  • Sarajevo

    Een of andere stommiteit op de Balkan, zo had Bismarck voorspeld, zou een nieuwe oorlog ontketenen. In de zomer van 1914 kreeg hij gelijk. Een incident in Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina, was de vonk die Europa in lichterlaaie zou zetten.

    In 1908 had Oostenrijk-Hongarije het naburige Bosnië-Herzegovina geannexeerd. Sindsdien zonnen de Bosnische en Servische nationalisten op wraak.

    Op 28 juni 1914 zagen ze hun kans schoon. Die dag bracht aartshertog Franz Ferdinand, de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, een bezoek aan Sarajevo. De student Gavrilo Princip schoot Franz Ferdinand en diens echtgenote van dichtbij neer met een Belgisch FN-pistool.
    Princip was lid van de nationalistische beweging Jong Bosnië. Die had banden met de Zwarte Hand, een obscure Servische terreurorganisatie. Voor Oostenrijk-Hongarije stond het daarmee vast dat Servië achter de aanslag zat.

    Op 23 juli stelde Wenen Servië verantwoordelijk en formuleerde het een ultimatum. Servië ging in op de meeste Oostenrijkse eisen, maar toch vond Wenen dit onvoldoende. Op 28 juli verklaarde het Servië de oorlog. Daags erna beschoot de Oostenrijkse artillerie de Servische hoofdstad Belgrado. Oostenrijk-Hongarije verzekerde zich van de Duitse steun.
    De wederzijdse verplichtingen en bondgenootschappen maakten een grootschalig conflict onvermijdelijk.

  • Het begin


    Na de aanslag in Sarajevo riep Frankrijk de algemene mobilisatie uit. Legers werden in staat van paraatheid gebracht. Op 2 augustus overschreed het Duitse leger de grens met Luxemburg. Twee dagen later vielen ze ook België binnen. Voor Groot-Brittannië was dat de aanleiding om ook tegen Duitsland in het strijdperk te treden. De Eerste Wereldoorlog was begonnen.

    Meteen na het uitbreken van de oorlog waren de Centralen nog maar met zijn tweeën. Italië, het derde lid van de Triple Alliance, had zich teruggetrokken. Volgens de Italianen hadden de twee bondgenoten namelijk zelf de aanval ingezet. Italië was dus niet verplicht om te hulp te komen, vond het.

    Vrijwel onmiddellijk, in augustus 1914, verslaat Duitsland het Russische leger. De dreiging aan het Oostfront is voorlopig afgewend.

  • De slag aan de ijzer


    België was neutraal. Daar stonden zowel Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk als het Duitse Rijk borg voor. Op 4 augustus 1914 schond Duitsland echter eenzijdig het verdrag. Achtendertig divisies van het Duitse1ste, 2de en 3de Leger (zowat 800.000 man) trokken België binnen. Ze waren van plan het kleine Belgische leger van 200.000 man te overweldigen en daarna zuidwaarts te trekken om de Fransen te omsingelen en te verslaan.

    Maar de Belgen lieten zich niet zo makkelijk overweldigen. Terwijl het Britse Expeditieleger werd aangevoerd, verdedigden de Belgen zich hardnekkig. Ze hielden de opmars hier en daar enkele cruciale dagen tegen en boden twee beslissende maanden lang weerstand bij Antwerpen. De Duitsers hadden verwacht dat ze binnen 39 dagen Parijs zouden veroveren en de Fransen verslaan. In plaats daarvan brachten de Geallieerden hen begin september tot stilstand. Zowel de Duitsers als de Geallieerden stuurden troepen naar het noorden, in de richting van de Kanaalhavens. Beide strijdkrachten probeerden elkaar de pas af te snijden terwijl ze verder oprukten.

    Intussen kwamen de restanten van het Belgische leger, dat zich uit Antwerpen had teruggetrokken, samen op de linkeroever van de IJzer. Daar vormden ze front. Op 20 oktober zette het Duitse 4de Leger de aanval in. Twee dagen later slaagden elementen van een Duitse divisie erin om de stroom over te steken. De Belgen moesten zich terugtrekken tot achter de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide. Bij Diksmuide werd de helft van de 6.500 als versterking gestuurde Franse Fusiliers-marins uitgeschakeld. De verdediging hield stand. Maar hoe lang nog?


    Op 25 oktober gaf koning Albert I, de bevelhebber van het Belgische leger, het bevel om de vlakte achter de IJzer onder water te zetten. Bij de monding in Nieuwpoort werden de schuifdeuren geopend vóór elke vloed en bij eb weer gesloten. Met twee keer hoogwater per dag waren er verschillende dagen nodig om voldoende zeewater binnen te laten en te voorkomen dat het terug naar zee liep. Maar net toen de Duitsers op 29 en 30 oktober op het punt stonden om definitief naar de Kanaalhavens door te stoten, vormden de rivier en het ondergelopen land een onneembare hindernis. Voor de Duitsers zat er niets anders op dan zich terug te trekken. Ondanks herhaalde aanvallen stelde het water de sector aan de IJzer voor de rest van de oorlog veilig.

  • De eerste slag bij Ieper

    Half oktober 1914 waren de heuvels rond Ieper, die op 4 tot 8 km van het stadscentrum liggen, in het bezit van de Fransen en Britten. Op 18 oktober kregen de Britse 7de infanteriedivisie en 3de cavaleriedivisie het bevel om naar het oosten op te rukken en zich naast de Franse cavalerie in Roeselare op te stellen. Ze zouden er nooit geraken. Ze beseften niet op welke schaal ze zelf zouden worden aangevallen.

    Twee dagen later waren het de Duitsers die de heuvels bezetten. Ze hadden ook Passendale ingenomen, dat ze drie jaar lang niet meer zouden prijsgeven. De volgende dag, 21 oktober 1914, lanceerden ze hun aanval op de stad. De Eerste Slag bij Ieper was begonnen. In Langemark stonden doorgewinterde beroepssoldaten van de Britse 1ste divisie tegenover een massa Duitse reservisten en vrijwilligers, meestal kadetten en universiteitsstudenten met amper zes weken militaire opleiding achter de rug. Ten minste 3.000 onder hen zouden de aanval niet overleven. Een groot aantal ligt begraven op het Studentenfriedhof, de Duitse militaire begraafplaats te Langemark.

    Ondanks hun verliezen drongen de Duitsers de Geallieerden verder terug. Tegen 31 oktober hadden ze Geluveld veroverd en waren ze op de Meenseweg bijna door de Britse linie gebroken. De volgende dag namen ze de Mesense heuvelkam en Wijtschate in, terwijl Britten Geluveld heroverden. Het lot van Ieper hing aan een zijden draadje. Op 11 en 12 november bezetten Duitsers Sint-Elooi. Het professionele Britse Expeditieleger was intussen vrijwel volledig vernietigd. Koks, foeriers, seiners en andere non-combattanten werden de vuurlijn ingestuurd, met of zonder wapens.

    Maar de Duitse aanvallen werden minder hevig, en spoedig staakten beide kampen uitgeput de strijd. Het was het einde van de Eerste Slag bij Ieper en het begin van de stellingenoorlog - en van de winter. Om te voorkomen dat de Geallieerden beschutting zouden vinden in Ieper, bestookten de Duitsers de stad constant. Op 22 november schoten ze de Lakenhallen en het hele stadscentrum in brand. De Salient was intussen nog maar half zo groot als in het begin en nu al waren er zowat 100.000 mannen gesneuveld. Nog eens minstens 400.000 zouden er de volgende drie jaar het leven laten.

  • Het Kerstbestand

    Vanaf het prille begin van de stellingenoorlog, in november 1914, waren er tekenen van stilzwijgende afspraken. Op verschillende plaatsen schreven soldaten van beide zijden over onderbrekingen in de gevechten, vooral omstreeks het ontbijt en 's avonds, wanneer de rantsoenen naar de frontlijn werden gebracht.

    Sinds de Napoleontische oorlogen was er in vrijwel alle grote campagnes sprake geweest van informele bestanden. Toch was de mate van verbroedering tussen Britse en Duitse troepen tijdens de kerstdagen van 1914 verrassend groot. De verslagen van zowel officieren als gewone soldaten doen vermoeden dat minstens twee derde van de Britse sector erbij betrokken was. Bij de Fransen en de Belgen was het niet veel anders.

    Kerstavond was een prachtige, maanverlichte vriesnacht, die nog mooier werd toen de Duitsers op kleine kerstbomen kaarsen lieten branden en ze boven op de borstwering plantten. 'Net het voetlicht in een schouwburg', schreef een Britse soldaat. Er werden kerstliederen gezongen ('ik denk dat we minder harmonieus klonken dan de Duitsers'). Dan werd er heen en weer geroepen: 'Hallo, Tommy!' 'Hello, Fritz!' De 'vijanden' waagden zich voorzichtig in het niemandsland, schudden elkaar de hand, gaven elkaar een vuurtje en wisselden geschenken uit: Duitse worsten en sigaren, ingeblikte hutspot, tabak, familiefoto's en Londense kranten.

    Het bestand duurde minstens tot het einde van tweede kerstdag. Op sommige plaatsen hield het stand tot nieuwjaar, zelfs tot een eind in januari. Maar in andere sectoren ging de oorlog gewoon door. De toestand kon 200 meter verder anders zijn, afhankelijk van de houding van een bataljonscommandant. Overal waar het tot een bestand kwam, maakten beide zijden van de gelegenheid gebruik om hun doden te begraven en hun loopgraven te verbeteren.

    Dilemma's

    Tijdens het kerstbestand ontmoetten soldaten 'vijanden' die, net als zij, de gruwelen van de vier eerste oorlogsmaanden wilden vergeten. Winston Churchill, destijds 39 jaar oud en First Lord of the Admiralty (zeg maar Brits minister van Marine), was verslaggever geweest tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en kende dus het dilemma waarmee de soldaten werden geconfronteerd. Hij schreef in november 1914 aan zijn vrouw: 'Ik vraag me af wat er zou gebeuren als de legers opeens tegelijk de wapens zouden neerleggen en zouden zeggen dat er maar een andere manier moest komen om onenigheid te beslechten!'

    Voor vele anderen bestond er helemaal geen dilemma. Luitenant Tyrell, die als arts verbonden was aan het 2de bataljon Lancashire Fusiliers, schreef in zijn dagboek: 'Donderdag 24, kerstavond. Hier is geen vrede! Kanonnengebulder rond Ploegsteert en Mesen.' Anderen stonden dan weer wel voor een morele keuze, al was het dan maar tijdelijk. Brigadegeneraal Count Edward Gleichen, de commandant van de Britse 15de Infanteriebrigade tijdens het kerstbestand, schreef later: 'Wat moesten onze mannen doen toen Duitse soldaten uit hun loopgraven kwamen en ongewapend naar de overkant wandelden, met sigaren en kerstwensen? Schieten? Op ongewapende mannen schiet je niet.'

    Twijfel was er niet bij de leiders van de verschillende christelijke kerken. Zij waren allemaal even overtuigd dat hun kant een rechtvaardige oorlog voerde. Maar voor een man als de Vlaamse kunstenaar, internationalist en pacifist Frans Masereel was het begrip 'rechtvaardige oorlog' dan weer even absurd als grotesk. Masereel werkte als onbezoldigd vrijwilliger voor het Rode Kruis in Genève, waar hij post voor krijgsgevangenen sorteerde. Later zou hij er zijn artistieke talenten gebruiken om het gedrag van alle oorlogvoerende naties scherp op de korrel te nemen. Zijn houtsneden en tekeningen verschenen eerst in Les Tablettes, een maandblad dat zich tegen de oorlog keerde, en later in de krant La Feuille. Masereel kwam meestal aan om 11 uur 's avonds, twee uur voor de krant naar de drukker ging, koos een onderwerp en verwerkte het ter plekke tot een tekening. Het moest dus meteen raak zijn: tijd voor verbeteringen was er niet.

    Maar de oorlog bleef duren. De bevelhebbers vreesden dat het monotone leven in de loopgraven opnieuw zou kunnen leiden tot de filosofie van 'leven en laten leven' die het kerstbestand had geïnspireerd. Daarom gaven ze de lagere officieren de instructie om 'de offensieve instelling van de troepen met alle beschikbare middelen aan te moedigen, zelfs al waren ze in het defensief'.

  • Aan het front

    Het leven in de loopgraven

    Van alle wapenfeiten van de Eerste Wereldoorlog spreken de moordende veldslagen - Verdun, de Somme, Passendale - het meest tot de verbeelding. En toch komt het woord 'veldslag' maar zelden voor in memoires en getuigenissen. Wat de mannen meer is bijgebleven, is het leven in de loopgraven: de verveling, de kou, de modder, het ongedierte, de ellende ... en, ondanks alles, het avontuur en de vriendschap.

    Modder

    De grootste gesel in de loopgraven was het slechte weer. Een regenbui herschiep de vette, vruchtbare landbouwgrond in een reusachtige modderpoel. Metersdiepe granaattrechters vulden zich met modder, die mannen, kanonnen en zelfs hele paardenspannen onherroepelijk naar beneden zoog. De loopgraven moesten dan ook constant worden onderhouden. Soms waren er zelfs geen herkenbare loopgraven meer. 'Boue et boche', de modder en de mof, waren voor de Franse opperbevelhebber Foch de ergste tegenstanders.

    Koude

    Naast de modder was er de kou. In de winter van 1917 vroor het bij Ieper 20 graden. Wat je ook droeg, de koude drong er doorheen. Bewegen kon nauwelijks, een vuurtje stoken was uitgesloten. Vooral wie in de eindeloze winternachten op wacht stond, had het zwaar te verduren. Wie te lang in de natte, koude loopgraven stond, hield er 'loopgravenvoeten' aan over: blauwe, levenloze voeten, met weldra ontstekingen.

    Ratten en luizen

    In en om de loopgraven krioelde het van de ratten. Ze vraten niet alleen aan het karige voedsel van de soldaten, maar ook aan de vele onbegraven lijken in niemandsland. In de roman 'Im Westen Nichts Neues' noemt Erich Maria Remarque ze 'kadaver-ratten':

    'Ze eten van iedereens brood. Kropp rolt dat van hem in zijn tentzeil en legt het onder zijn hoofd, maar hij kan niet slapen omdat de ratten over zijn gezicht lopen om zijn brood te kunnen pakken.'

    Ook luizen waren een echte plaag. In de loopgraven, waar hygiëne ver te zoeken was, ontsnapte niemand eraan. Luizen kunnen dagenlang overleven zonder bloed en zijn goed bestand tegen de kou. Sommige mannen hadden er letterlijk honderden over hun hele lijf. Maar luizen verwijderen verdreef de verveling en was een echte sociale bezigheid.

    Mentale problemen

    De soldaten hadden het niet alleen lichamelijk lastig, ook mentaal eiste het leven in de loopgraven zijn tol. Het overheersende gevoel was verveling.

    Daarnaast was er de angst voor de dood. Granaten en scherpschutters maakten dagelijks slachtoffers. Bovendien stonden de soldaten vaak letterlijk oog in oog met de dood. De lijken in niemandsland konden niet altijd worden begraven, zodat ze soms vlak bij de stellingen lagen te ontbinden ...

    Het gebrek aan slaap, de tergende machteloosheid en de constante confrontatie met dood en verminking zorgden voor grote vermoeidheid. Volgens het frontblaadje L'Echo des tranchées-ville kende iedere soldaat de beruchte 'cafard'. 'Het is een morele slapheid die zich van je meester maakt. Alles is zwart. Je bent het leven beu ...'

    Sommige soldaten werden letterlijk gek. De legerleiding nam zulke gevallen niet snel ernstig, maar toch werden een groot aantal militairen in de laatste jaren van de oorlog om psychische redenen behandeld.

    Troost

    Maar het leven in de loopgraven was niet alleen ellende. Iedere dag weer keken de mannen uit naar de komst van de rantsoenen, ook al was het voedsel vaak slecht en eentonig. Weinig kon hen zo ergeren en opstandig maken als eten dat te laat of helemaal niet werd gebracht.

    Ook sigaretten waren een troost. Roken was in de jaren vóór de oorlog enorm populair geworden in alle lagen van de bevolking. Tabak en sigaretten waren in verhouding tot nu heel goedkoop.

    Katten of andere huisdieren, meestal afkomstig van verlaten boerderijen, werden door de militairen vertroeteld. De mannen waren ook erg gesteld op de vele trek- en lastdieren van het leger: muilezels, maar vooral paarden. Duizenden paarden werden net als de mensen het slachtoffer van granaten, kogels, ziekte en uitputting. Bij het gekerm van gewonde collega's bleven veel soldaten ogenschijnlijk onbewogen, maar bij een stervend paard had zelfs de meest geharde veteraan het lastig.

    De veldslagen

    In bijna alle gevechten of slagen in de Eerste Wereldoorlog lieten duizenden soldaten het leven voor een onzekere terreinwinst van een paar honderd meter.

    Een gevecht begon met spervuur. De artillerie, die zich een eind achter de eigen frontlijn bevond, probeerde met zwaar geschut de vijandelijke loopgraven in puin te schieten. Zo'n beschieting kon urenlang duren en maakte een oorverdovend lawaai ­ als de wind goed stond, was het geschut rond Ieper te horen in Londen.

    Na het spervuur volgde dan de stormloop. Op een afgesproken teken klommen duizenden soldaten tegelijk uit hun loopgraven. Meteen achter hen kwam een tweede golf, daarna een derde, enzovoort.

    Op papier leek het simpel. Eerst schakelde het spervuur de verdedigers uit. Daarna moesten de aanvallers het niemandsland oversteken, de resterende weerstand opruimen en de posities van de vijand innemen.

    Maar de praktijk was meestal anders. Vaak zaaide het spervuur wel veel verwoesting, maar wisten de verdedigers diep onder de grond de beschietingen toch te overleven. Wanneer de aanval losbarstte, haastten ze zich naar boven en begonnen ze te schieten.

    Heel wat mannen werden al na een paar meter getroffen door een kogel, een bomscherf of een granaatsplinter. Velen sneuvelden, anderen raakten zwaargewond. Als ze de eigen loopgraven niet konden bereiken, dan moesten ze wachten op hulp. Kwam die niet, dan konden ze alleen maar wachten op de dood.

    De loopgraven werden beschermd door dikke rollen of netten prikkeldraad. Meestal waren die niet voldoende vernietigd. Dan zaten de aanvallers vast en werden ze hulpeloos neergeschoten vanuit de loopgraven.

    Soldaten die toch door het niemandsland geraakten, hadden vaak geen idee hoe ze verder moesten. Op het slagveld kon iedere stap buiten de beschutting van een loopgraaf of granaattrechter de laatste zijn. Het was vrijwel onmogelijk om tijdens de gevechten te communiceren of bevelen over te brengen. De telefoon bood evenmin uitkomst, want de telefoonlijnen stopten waar het niemandsland begon.

    Als de avond viel, was het tijd om de terreinwinst te meten en de overblijvenden te tellen. Er werd navraag gedaan naar doden en gewonden. Het eerste cijfer was vaak kleiner dan gedacht, het tweede vrijwel altijd groter. Op 1 juli 1916, de eerste dag van de Slag bij de Somme, telden de Britten bijvoorbeeld 21.000 doden en nog eens dubbel zoveel gewonden.

    Op sommige slagvelden vielen tientallen mensen voor iedere vierkante meter terreinwinst. Met hun mitrailleurs en kanonnen waren de verdedigers immers altijd in het voordeel. De generaals hielden daar zelfs rekening mee: als je maar genoeg soldaten naar voren jaagt, zo dachten ze, dan zijn er altijd wel een paar die de overkant halen. Tienduizenden soldaten betaalden die tactiek met hun leven...

    Het niemandsland

    Wat was het niemandsland? Het was de strook tussen de voorste loopgraven van de vijandelijke legers. Het niemandsland liep als een lint over heel het westelijke front. De breedte varieerde van zowat 1.000 tot nauwelijks 50 meter. Het was versterkt met prikkeldraad; hier en daar stonden door granaatinslagen afgeknakte bomen. Het stikte er van de ratten, die leefden van de lijken van soldaten en de rottende paardenkarkassen. Het was bezaaid met granaattrechters, die vol water liepen als het regende. Soldaten vielen erin en verdronken. In Vlaanderen stikten ze in de modder waarin ze onder het gewicht van hun uitrusting wegzonken.

    Soms moest de infanterie, in plaats van een rechtstreekse aanval, het niemandsland binnensluipen en wachten op het signaal voor een grote aanval. Elke nacht staken patrouilles over op verkenning of om de vijand bij verrassing te doden of gevangen te nemen. Een patrouille die in het licht van een vuurpijl werd betrapt, werd met mitrailleurs uitgeschakeld. Volgens Ernst Jünger, destijds een Duits officier, was het lawaai van een onophoudelijk nachtelijk artilleriebombardement zo ontredderend dat mannen hun eigen naam vergaten of niet eens meer tot drie konden tellen. Maar overdag werd de stilte soms alleen doorbroken door de droge knal van het geweer van een scherpschutter.

    Wapens

    Tot het begin van de negentiende eeuw werden wapens vervaardigd door gespecialiseerde ambachtslui en werden veldslagen uitgevochten tussen kleine legers. Oorlog, dat betekende beproefde tactische zetten, gedurfde improvisatie en individuele staaltjes van heldenmoed. Maar tegen het einde van diezelfde eeuw produceerde de wapenindustrie vele duizenden mitrailleurs en konden, zoals het in een verslag van de Slag bij Verdun te lezen staat, '... drie mannen en een mitrailleur een heel bataljon helden tegenhouden'. Het karakter van de oorlog was fundamenteel en definitief veranderd. Wapens waren nu belangrijker dan manschappen. En eenvoudiger bovendien: om een mitrailleur te bedienen, had je niet de vaardigheden nodig die snel geweervuur vereiste.

    In augustus 1914 was er niemand die dit werkelijk inzag. Het werd pas duidelijk, althans voor de verstandigste frontsoldaten, toen de Duitsers zich tegen het einde van het jaar ingroeven om het veroverde gebied te verdedigen. Hoe hard de Geallieerden ook probeerden om door de Duitse linie te breken, ze werden tegengehouden door mitrailleurs en aan stukken gereten door Duitse artillerie: de 'nieuwe' en de 'oude' wapens. De verdedigers hadden alle troeven in handen.

    Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de artillerie een groter bereik dan ooit tevoren (meer dan 20 kilometer voor de grootste houwitsers), zodat de batterijen een eind achter de linies uit het gezicht van de vijand konden worden gehouden. Dankzij de steeds modernere projectielen en de betere beheersing van de terugslag konden ook kanonnen voortaan snel en toch accuraat schieten, tenminste als ze op een stevige ondergrond stonden. Vanaf 1917 was ook de artillerietactiek sterk verbeterd, met vijf of zes opeenvolgende golven projectielen die bij een aanval langzaam naar voren schoven en door de oprukkende infanterie werden gevolgd.

    Toch had geen van beide kampen een duidelijke voorsprong in de bewapening, zelfs niet in mitrailleurs. Dus namen ze hun toevlucht tot nieuwe uitvindingen om de patstelling te doorbreken. Ze verdedigden zich met enorme hoeveelheden prikkeldraad - hindernissen die tot de komst van de tanks haast onmogelijk konden worden overwonnen - en met betonnen bunkers. Ze vielen elkaar aan met stikgassen, vlammenwerpers, bommen, tanks en handgranaten (de handgranaat was voor de Eerste Wereldoorlog wat de bajonet was geweest voor de Slag bij Waterloo). Ze groeven gangen onder de vijandelijke stellingen en vulden ze met zware explosieven.

    Gas

    Op 22 april 1915 werd bij Steenstraat, tussen Ieper en Diksmuide, voor het eerst in de geschiedenis dodelijk gifgas gebruikt. Een groengele wolk dreef langzaam naar de Geallieerde loopgraven. Franse en Canadese soldaten kregen de volle laag.

    De Duitsers zouden hun vroege voorsprong in chemische wapens de rest van de oorlog behouden. Grote ondernemingen als Bayer en Badische Anilin produceerden telkens weer nóg dodelijkere en efficiëntere gassen.

    Aanvankelijk kwam het gas uit grote cilinders, waarvan je gewoon de kraan moest openzetten. Later werden er gasgranaten ontwikkeld.

    Gas was levensgevaarlijk, maar gelukkig erg moeilijk te gebruiken. Het belangrijkste was dat de wind goed stond. Anders bleef het gas hangen of, erger nog, waaide het terug naar de eigen rangen. Wat de wind betreft, waren de Duitsers in het nadeel: zij zaten aan de oostelijke kant van het front, terwijl de wind meestal uit het westen komt.

    In Steenstraat gebruikten de Duitsers chloorgas. In december 1915 kwamen ze met fosgeen, dat veel gevaarlijker was. Mosterdgas (of yperiet, genoemd naar Ieper) deed zijn intrede aan het front in juli 1917. Het was niet bedoeld om te doden, maar om soldaten lange tijd ongeschikt te maken om te vechten.

    Gasmaskers waren het enige middel tegen gifgas. Al een paar weken na de eerste gasaanval kwamen de Britten met een primitief soort masker. Maar pas in 1917 hadden ze een gasmasker ontwikkeld dat echt veilig was ­ behalve dan tegen mosterdgas, want dat drong ook het lichaam binnen via de blote huid. Meer dan 90 procent van alle slachtoffers kon na een gasaanval terug naar het front. Maar velen zouden de rest van hun leven kampen met ademhalingsproblemen. En ook de angst bleef...

    Medische verzorging

    Een oorlog op industriële schaal maakte een groot aantal slachtoffers. In theorie waren de Geallieerden daarop voorbereid, maar de praktijk zag er heel anders uit. Twee derde van de Belgische soldaten die sneuvelden als gevolg van de Slag aan de IJzer stierven bij de stations van Duinkerke en Calais, waar ze dagenlang in rijtjes naast elkaar lagen te wachten op verzorging die er nooit kwam. En zonder de hulp van vrijwillige eenheden ambulanciers zouden nog meer Belgische en Franse soldaten het leven hebben verloren.

    In de eerste oorlogsmaanden werden de medische diensten aan beide zijden volledig overrompeld, zowel door de aard van de verwondingen als door de aantallen gewonden. Aan het westelijke front werd de oorlog uitgevochten op vruchtbare, zwaar bemeste landbouwgrond. Vuil en bacteriën drongen binnen in de wondes, die daardoor begonnen te rotten, vol gas raakten en opzwollen. Dat was het gevreesde gasgangreen, een aandoening die niets te maken had met gasaanvallen maar wel veel meer mannen het leven kostte, zelfs al waren ze maar lichtgewond. Antibiotica bestonden nog niet en de tijdens de oorlog ontwikkelde ontsmettingsmiddelen hielpen niet. De beste behandeling was het aangetaste lichaamsweefsel zo vlug mogelijk te verwijderen.

    Wanneer een soldaat aan het front gewond raakte, werd hij naar de dichtstbijzijnde hulppost ('aid-post', 'poste de secours', 'Verbandplatz') gebracht, die meestal niet te ver van de voorste frontlijn lag. Na de eerste verzorging stapte hij naar een vooruitgeschoven verbandplaats of werd hij erheen gedragen voor een spuitje tegen tetanus. Daarna bracht een pijnlijke rit in een ziekenwagen of een door paarden getrokken voertuig hem naar het dichtstbijzijnde veldhospitaal, dat in het Engels CCS (casualty clearing station), in het Frans hôpital mobile en in het Duits Feldlazarett heette.

    Sommige van die veldhospitalen bevonden zich in gebouwen die het leger had aangeslagen. Meestal waren het echter tentendorpen in de buurt van spoorweghoofden, zodat de gewonden gemakkelijk konden worden aan- en afgevoerd. Maar de treinen die de gewonden wegbrachten - de lopende banden van deze geïndustrialiseerde oorlog - voerden op de terugweg naar het front ook munitie en verse troepen aan. De munitie werd opgeslagen naast de spoorweghoofden en vormde dus een ideaal doelwit voor de vijandelijke artillerie. De krakkemikkige veldhospitalen in de buurt waren dan mee het slachtoffer.

    Grote aantallen gewonden stierven voor ze een veldhospitaal konden bereiken. Anderen stierven buiten op brancards terwijl ze wachtten op een vrij bed. Britse soldaten die konden worden gered, werden na enkele tussenstops in hulpposten en veldhospitalen met de trein naar een van de veilige basishospitalen bij de kust gebracht. Wie pech had, werd na verzorging teruggestuurd naar het front. Maar iedere Britse soldaat hoopte vurig op een 'Blighty wound': een verwonding die ernstig genoeg was voor een overzet met het hospitaalschip naar Engeland, maar niet ernstig genoeg om de gewonde soldaat in kwestie een blijvende handicap te bezorgen (de bijnaam 'Blighty' voor Engeland was afkomstig van soldaten die in Brits-Indië hadden gezeten; in het Hindi betekent bilayati 'een plaats op een zekere afstand').

  • Achter het front

    Een bonte bevolking

    Naast de vele soldaten in kantonnement, waren er achter het front tal van andere militairen werkzaam zoals de transporttroepen en de verschillende arbeidskorpsen. Zij moesten materiaal en munitie aanvoeren en allerhande klussen opknappen, zoals wegenwerken. Eén ervan was het Chinese Labour Corps, samengesteld uit arbeiders afkomstig uit het door de Britten gehuurde gebied Wei-hai-Wei. Ook verschillende grote veldhospitalen bevonden zich achter het front. Vaak herinneren nu enkele grote militaire begraafplaatsen ons daaraan. Ook tal van hoofdkwartieren bevonden zich in het achtergebied.

    Achter het front werkten heel wat vrouwen, meestal jonge Belgische vluchtelingen. Ze waren verpleegster, wasten en ontluisden de uniformen of verdienden hun brood in cafés, eethuizen of bordelen. Heel wat vrouwen werkten ook onrechtstreeks voor het leger, bijvoorbeeld in de wapenfabrieken. Overal namen vrouwen de plaats in van de mannen die aan het front vochten.

    Een aparte groep achter het front waren de krijgsgevangenen: militairen die waren gevangengenomen of zich hadden overgegeven aan de vijand. Zo'n overgave was vrij riskant, want de minste verdachte beweging leverde een kogel op. Wie zich toch had weten over te geven, werd meestal redelijk goed behandeld. Krijgsgevangenen werden overgebracht naar kampen en achter het front ingezet voor klussen. De propaganda aan beide kanten probeerde de vijandelijke soldaten er trouwens voortdurend toe te bewegen om zich over te geven.

    Censuur en propaganda

    Slecht nieuws, zo vond de overheid, kon alleen maar leiden tot moedeloosheid. Daarom werd de pers streng gecensureerd. Het publiek wist dan ook amper wat er echt gebeurde aan het front. Niet iedereen legde zich daarbij neer. Zo werd in Parijs het satirische weekblad Le Canard enchaîné opgericht. 'Iedereen weet', zo spotte stichter Maurice Maréchal, 'dat de Franse pers zonder uitzondering aan haar lezers volstrekt ware nieuwsberichten meedeelt. Wel nu, het publiek heeft er genoeg van. Het publiek wil voor de verandering valse nieuwsberichten. En het zal er krijgen.

    Aan beide zijden deden de meest fantastische verhalen over de vijand de ronde. In het begin van de oorlog beschuldigde de geallieerde pers de Hunnen, zoals ze de Duitsers noemden, ervan Belgische kinderen de handen af te hakken. Van hun kant geloofden de Duitsers dat Belgische burgers vanuit hun huizen Duitse soldaten in de rug schoten.

    Ook alle brieven van het front naar het thuisfront en omgekeerd werd streng gecensureerd. Vooral vermeldingen van plaatsnamen aan het front waren ten strengste verboden. De censuur ging soms bruut te werk: Gewraakte passages werden zonder boe of ba uit de brief weggeknipt of weggebrand. Er werden tal van truukjes gebruikt om de censuur te omzeilen: zo kon in een brief bepaalde letters onderstreept worden. Samen vormden die de naam van de plaats waar men zich bevond.

    Poperinge en Roeselare

    Als de soldaten geluk hadden, dan lag er in de buurt van hun kamp of kantonnement een stadje. Daar gingen ze naartoe voor eten, drank, sigaretten, vrouwen en souvenirs. Van hun karige soldij - een Britse infanterist kreeg één shilling per dag, en ook een Belgische piot kreeg maar een fractie van wat een arbeider verdiende- probeerden de soldaten zoveel mogelijk plezier te hebben.

    Voor de geallieerden was vooral Poperinge het dichtstbijzijnde ontspanningscentrum. De Duitsers gingen vooral naar Roeselare, maar ook naar Oostende en Gent. In plaatsen als Poperinge en Roeselare bloeide de prostitutie. De bordelen waren meestal niet erg hygiënisch, dus het risico op geslachtsziekten was groot. Soldaten die er het slachtoffer van werden, waren al gauw een maand buiten strijd. De legerleiding probeerde het probleem aan te pakken met zware straffen voor wie ziek werd, inspecties van de geslachtsdelen en officiële legerbordelen.

    Ook aan het geestelijk welzijn van de militairen werd gedacht. De meeste soldaten waren gelovig, en ieder leger had aalmoezeniers in dienst. Daarnaast waren ook tal van privé-organisaties actief. Aan Britse zijde is vooral Talbot House in Poperinge bekend gebleven. Talbot House, of afgekort Toc H, was een soort club voor militairen. Officieren en gewone soldaten werden er op gelijke voet behandeld, wat heel uitzonderlijk was. In de zolderkapel werden missen opgedragen, vaak voor soldaten die de volgende dag naar het slagveld moesten.

    Het thuisfront

    In de Eerste Wereldoorlog stonden niet alleen legers, maar hele naties tegenover elkaar. De oorlog verslond zoveel wapens en mensen dat ook het thuisfront moest meevechten, zij het dan met zijn eigen middelen. Om de enorme hoeveelheden wapens en munitie te produceren, werden alle beschikbare arbeidskrachten ingezet in de wapenindustrie. In 1914 werkten in Frankrijk 50 000 mensen in wapenfabrieken, in 1918 waren dat er al 1,7 miljoen. De hele economie stond in het teken van de oorlog.

    De afwezigheid van honderdduizenden jongemannen had ook sociaal ingrijpende gevolgen. Hun plaats op het veld en in de fabriek werd dikwijls ingenomen door vrouwen. Geen wonder dat de maatschappelijke positie van de vrouw tijdens de oorlog opvallend veranderde. Burgersvrouwen maakten zich verdienstelijk met liefdadigheid. Vooral in de eerste oorlogsdagen wemelde het van de vele vluchtelingen, gewonden en daklozen aantrokken.

    Wie een man, zoon of broer aan het front had, kon weinig meer doen dan bang afwachten. Naarmate de oorlog vorderde, had ieder dorp, iedere wijk, iedere straat zijn doden te betreuren. Bijzonder bitter is het verhaal van de Britse Pals' Battalions - vrijwilligers uit dezelfde fabriek, wijk of vereniging. Zij werden samen ingezet aan het front en verloren soms in één klap de helft of meer van hun manschappen. Het verlies voor het thuisfront nam dan rampzalige vormen aan.

    De gewone man of vrouw had het moeilijk om de eindjes aan mekaar te knopen. Tegelijk tierde de woekerhandel welig: alles wat schaars was, werd ontzettend duur. In de oorlogvoerende landen werden de belangrijkste levensmiddelen na verloop van tijd dan ook gerantsoeneerd: ze gingen op de bon.

    Bezet België

    De toestand in het bezette deel van België was ronduit slecht. Probleem nummer één was de voedselbevoorrading. De landbouw, de industrie en de invoer waren immers vrijwel stilgevallen. Een Nationaal Hulp- en Voedselcomité mocht van de Duitse overheid de bevoorrading organiseren. Amerikaanse voedselhulp kwam van het Committee for the Relief of Belgium, onder leiding van de latere president Herbert Hoover. Overal ter wereld zamelden liefdadigheidsacties geld in voor voor 'poor little Belgium'.

    In bezet België moesten burgers een pasje hebben om te reizen: sindsdien draagt iedere Belg een identiteitskaart. De economie stond volledig ten dienste van de Duitse oorlogsmachine. Tegelijk waren er honderdduizenden werklozen. In 1916 voerde de bezetter een verplichte arbeidsdienst in voor alle mannen van 14 tot 60. Later werden ook de vrouwen opgeëist. Tienduizenden burgers werden tewerkgesteld achter het front of gedeporteerd naar Duitsland.

    Gewapend verzet was er nauwelijks in België. Wel werd er militaire informatie het land uit gesmokkeld en werd de spoorlijn naar Aken meer dan eens gesaboteerd. Jongemannen probeerden het land te ontvluchten om zich, via het buitenland, aan te sluiten bij het leger achter de IJzer. Om hen tegen te houden, sloten de Duitsers de Nederlandse grens af met een hek onder hoogspanning. Velen vonden er de dood.

    Piket en verlof

    Geen enkele militair zat de hele oorlog aan het front. Gewoonlijk duurde een verblijf in de loopgraven van de eerste lijn ongeveer vier dagen, al liet de aflossing wel eens langer op zich wachten. Daarna gingen de mannen voor enkele dagen 'in piket' naar de tweede lijn. Ze knapten er klussen op en waren snel beschikbaar om, als het moest, de eerste lijn te versterken. Na het piket hadden de manschappen enkele dagen rust in hun kantonnement.

    Die kantonnementen waren meestal uitgestrekte kampen van barakken of tenten. Soms trokken de militairen in bij gewone burgers. Iedere soldaat keek geweldig uit naar het moment van de aflossing: 'Het is heerlijk om uit de loopgraven te zijn. Je hebt weer de vrijheid om te zeggen 'over een uur'.' (C.E. Montague).

    Mannen die van het front kwamen, waren doodmoe. Ze wilden dan ook eerst en vooral hun tekort aan slaap inhalen. Daarna gingen ze op zoek naar proper water, schone kleren en een stevige maaltijd, want dat hadden ze soms wekenlang moeten missen. In het kamp viel er weinig te beleven. Knutselen, kaarten en zelfs tuinieren doorbraken de verveling. Overigens was rust in het leger een relatief begrip: gewoonlijk moesten de soldaten toch weer allerhande klussen opknappen.

    Britten, Duitsers, de meeste Fransen en sommige Belgen konden af en toe met verlof naar huis. Dat gebeurde erg zelden, en bovendien onregelmatig. De mannen keken er natuurlijk ontzettend naar uit. Toch viel zo'n verlof vaak tegen: het thuisfront begreep niet wat er aan het front gebeurde. Soms konden ze amper van hun verlof genieten: zo kregen Schotten net als elke Britse soldaat maar een weekje, ook al duurde de reis zo lang dat ze vrijwel meteen weer moesten vertrekken.

  • De Tweede Slag bij Ieper

    Op 22 april 1915, rond 5 uur 's middags, zette uit de Duitse linies bij Steenstraat langzaam een dikke, groengele wolk op.

    Chloorgas, zo bleek. Franse en Algerijnse soldaten vluchtten massaal naar achteren. Velen van hen zouden er niet levend geraken. In een paar uur tijd rukten de Duitsers op richting Ieper. Het ging zó snel, dat de Duitsers zelf verrast waren. Daarom gaf de legertop de troepen het bevel om zich in te graven. De soldaten gehoorzaamden, maar tegen hun zin.

    Na de gasaanval beseften de Geallieerde bevelhebbers dat Ieper gevaar liep. De plaats van de gevluchte Fransen werd meteen ingenomen door Canadese troepen. Zij gingen in de tegenaanval bij Sint-Juliaan. Later schoten ook Britten en Belgen te hulp.

    De Tweede Slag bij Ieper was begonnen. De gevechten zouden vijf weken duren.

    Ten noorden van Ieper was de dreiging het grootst. Daar waren Duitse eenheden op twee plaatsen het Ieperlee-kanaal overgestoken. Stapje voor stapje wisten Franse en Belgische troepen ze terug te dringen. Zware Duitse beschietingen en nieuwe gasaanvallen maakten echter vele slachtoffers.
    Ten oosten van Ieper stonden de Duitsers tegenover Britse troepen. Rond Hill 60, Sanctuary Wood en het Hoge werd gevochten om iedere meter.

    Wie nog niet gevlucht was uit Ieper, deed het nu. Ook Camiel Delaere, de ondernemende pastoor van de Sint-Pieterskerk, en Geoffrey Winthrop Young, het hoofd van de vrijwillige Friends' Ambulance Unit, moesten de stad verlaten. Alleen militairen bleven achter. Ieper was nog steeds in Britse handen, maar meer dan een verlaten ruïne schoot er niet van over.

    De Tweede Slag bij Ieper viel eind mei stil, bij gebrek aan munitie en manschappen. De Duitsers waren over een groot deel van de Ieper Salient enkele honderden meters tot een paar kilometer opgerukt. Zo was de stad weer een stukje dichterbij gekomen.

    Vijf weken vechten hadden een zware tol geëist. De Duitsers telden 35.000 man doden en gewonden, de Britten 60.000.


  • Artois en Champagne

    In mei 1915 vielen Franse en Britse troepen aan in Artois (Artesië). De gevechten duurden enkele weken en kostten tienduizenden soldaten het leven. Blijkbaar was het erg lastig om zwaar verdedigde vijandelijke stellingen te overrompelen. Een harde les, maar geen van beide partijen leek hem voorlopig serieus te nemen.

    In de herfst van 1915 probeerden de Geallieerden het opnieuw. Ze zouden aanvallen op twee fronten: de Fransen in Champagne, de Britten in Artois.

    In Champagne duurde het voorbereidende bombardement drie dagen. De Duitsers waren dus niet verrast toen de Franse infanterie uit de loopgraven kwam, en ze konden de aanval opvangen. Achttien dagen later moest het Franse leger zich terugtrekken. Het had bijna 150.000 man verloren.

  • Verdun

    Begin 1916 vond de Duitse legerleiding dat het moment rijp was voor een aanval aan het westfront. De plaats die ze kozen was Verdun.

    Net als Ieper lag Verdun in een saillant. De verdedigers werden dus van drie kanten belaagd. Maar het was de Duitsers niet om de verovering van de stad te doen. Ze hoopten dat het Franse leger Verdun, dat een grote symbolische waarde had, tot de laatste druppel bloed zou verdedigen. Ze wilden de Fransen zó zware verliezen toebrengen, dat die zouden smeken om vrede.

    Op 21 februari 1916 begonnen de beschietingen. Verdun was slecht verdedigd, en aanvankelijk werden de Fransen overrompeld. Na vier dagen viel het 'onneembare' fort Douaumont vrijwel zonder slag of stoot. De keizer, in hoogsteigen persoon aanwezig, was wild enthousiast.
    Diezelfde dag nog werd de verdediging van de stad toevertrouwd aan generaal Pétain. Tussen Verdun en Bar-le-Duc legde hij de 'Voie sacrée' aan. Elke week zou deze weg 90.000 manschappen en 50.000 ton materiaal van en naar het front brengen.

    Na een paar weken kwam de Duitse opmars bij Verdun tot stilstand. Ondanks de inzet van vlammenwerpers en fosgeen, een nieuw en dodelijk gas, konden de Duitsers geen doorbraak meer forceren.
    Bij Verdun streden honderdduizenden soldaten op leven en dood voor iedere heuvel, iedere bunker, iedere meter. Soldaten verloren elk contact met de rest van hun troepen en vochten zich letterlijk dood. Deze bloedige patstelling zou negen maanden blijven aanslepen.

    'On les aura', had Pétain gezegd over Verdun, en hij kreeg gelijk. In de herfst van 1916 konden de Fransen de Duitsers eindelijk terugdringen. Maar de prijs was ongehoord. De Fransen telden 160.000 doden en vermisten en meer dan 200.000 gewonden. De Duitse verliezen waren zowat even hoog.
    Na Verdun moesten de beide opperbevelhebbers opstappen. Bij de Duitsers maakte Falkenhayn in augustus plaats voor de tandem Hindenburg-Ludendorff. Bij de Fransen werd Joffre in december opgevolgd door Nivelle.

  • De Somme

    De aanslepende gevechten bij Verdun putten het Franse leger iedere dag meer uit. Om de Duitse aandacht af te leiden, zetten de Britten een grootscheepse aanval op. Zo begon de slag bij de Somme.
    Het Verenigd Koninkrijk had begin 1916 de dienstplicht ingevoerd, als laatste van de grote oorlogvoerende naties. Naarmate de Somme meer slachtoffers eiste, zouden dienstplichtigen de plaats innemen van beroepssoldaten en vrijwilligers.

    1 juli 1916, de eerste dag van de slag bij de Somme, was een fiasco. Een week lang had de Britse artillerie 1,5 miljoen projectielen afgevuurd. Van de vijand zou niks meer overschieten, dachten ze. Maar de Duitsers zaten zo diep onder de grond, dat de meesten het bombardement hadden overleefd. Bovendien waren de Britse obussen erg ongelijk van kwaliteit, en vielen er gewoon niet genoeg per vierkante meter. Het gevolg was een slachtpartij. In één dag sneuvelden 21.000 Britten en raakten 35.000 andere gewond.

    Op 15 september pakten de Britten bij Flers uit met een nieuw wapen: de tank. Maar van de 49 tanks vielen er 31 stil met mechanische pech. De rest kwam maar stapvoets vooruit. De tank maakte dus geen overdonderend debuut.
    Pas half november maakte de invallende winter een einde aan de slag bij de Somme. De Britten hadden 400.000 soldaten verloren (dood, vermist, gewond of krijgsgevangen), de Duitsers evenveel, de Fransen 200.000. Die enorme offers leverden de Geallieerden amper 12 km terreinwinst op.

    Wat Verdun was voor de Fransen, was de Somme voor de Britten. Vooral de verliezen van 1 juli waren een schok. De laatste illusies over het onkwetsbare 'Empire' lagen voorgoed aan scherven.
    Na de fiasco's van Verdun en de Somme wist niemand nog hoe het verder moest. 'De campagne van 1916 eindigde voor iedereen in bittere teleurstelling', schreef de Duitse prins Max von Baden. 'Wij en onze vijanden hadden ons beste bloed vergoten in stromen, en we stonden geen stap dichter bij de overwinning.'

    De Hindenburglinie

    1917 begon met een grote verrassing. Over een groot stuk van het Noord-Franse front trokken de Duitsers zich terug, soms wel 40 km diep. De nieuwe frontlijn, de Siegfried- of Hindenburg-linie, was veel beter verdedigd dan de vorige. Maandenlang hadden Duitse soldaten eraan gewerkt.

    De terugtocht verliep niet onopgemerkt. De Duitsers vernielden dorpen, legden mijnen, vergiftigden waterputten, blokkeerden wegen. Ze wilden het de Geallieerden moeilijk maken om hen te volgen.

    Arras en de Chemin des Dames

    De Duitse terugtocht was geen toeval. De Geallieerden waren namelijk een grootscheepse aanval van plan, en daar waren de Duitsers achtergekomen. In april 1917 was het zover. De Britten en Canadezen vielen aan bij Arras, de Fransen bij de Chemin des Dames.

    De Franse aanval was een fiasco. Tegen de sterke Duitse verdediging hadden de aanvallers weinig kans. Na 5 dagen telden de Fransen 130.000 verliezen, van wie 35.000 doden.

    De Chemin des Dames was voor veel soldaten de druppel die de emmer deed overlopen. Tegen de oorlog op zich hadden ze geen bezwaar, wel tegen de manier waarop hij werd gevoerd. In verschillende Franse eenheden brak muiterij uit. De soldaten weigerden nog naar het front te gaan.

    Inmiddels was de kersverse Franse opperbevelhebber, generaal Nivelle, weer vervangen. Zijn opvolger, generaal Pétain, toonde meer begrip voor de eisen van de gewone soldaat en wist zo de orde te herstellen.

    Mesen

    In juni 1917 besloten de Britten nog eens een grote aanval te wagen. Het doel: de Ieper Salient doorbreken en oprukken naar de Noordzeehavens Oostende en Zeebrugge. Daar bevonden zich basissen van de gevreesde Duitse duikboten.

    Op 7 juni deelden de Britten de eerste klap uit. Bij Mesen explodeerden 19 onderaardse mijnen die de weken daarvóór onder de Duitse linies waren gelegd. Hele regimenten werden levend begraven, en de ontploffing was voelbaar tot in Londen en Parijs.

    Maar de Geallieerden maakten geen gebruik van de bres die ze hadden geslagen. In plaats van snel door te stoten, hielden ze zich aan het plan om pas in juli aan te vallen. Zo verloren ze kostbare tijd.

    De Slag bij Passendale

    Vanaf 16 juli begon de Britse artillerie de Duitse stellingen rond Ieper te bombarderen. Maar zoals zo vaak was de Duitse verdediging zelfs na 2 weken allesbehalve uitgeteld.
    Ook het terrein zat de Britten niet mee. De Duitsers bezetten de hogergelegen stukken van de Salient, van waaruit ze de wijde omgeving in de gaten konden houden.
    Op 31 juli kwam de infanterie uit de loopgraven. De Derde Slag bij Ieper was begonnen. Hij zou de geschiedenis ingaan als de Slag bij Passendale.

    In drieëneenhalve maand probeerden de Britten rond Passendale minstens 10 keer door te stoten. Soms leverde dat een paar honderd meter terreinwinst op, soms liep het offensief letterlijk vast in de modder. Die zomer was de natste sinds mensenheugenis: het slagveld was zelfs voor mensen vrijwel onbegaanbaar, laat staan voor de zware artillerie. Toch bleef de Britse opperbevelhebber Sir Douglas Haig koppig vasthouden aan zijn plan. De politici, premier Lloyd George voorop, grepen niet in.

    Op 10 november maakte de kou een eind aan de zinloze strijd. Een paar dagen eerder hadden Canadese troepen het verwoeste Passendale ingenomen. Het einddoel ­ de Noordzeehavens ­ was amper 10 km dichterbij gekomen. In de lente van 1918 zouden de Britten al hun terreinwinst in drie dagen tijd weer kwijtraken.
    De Britten hadden in 14 weken een kwart miljoen man verloren (dood, gewond, vermist). Op Tyne Cot Cemetery in Passendale liggen de doden begraven en worden de vermisten herdacht.

  • Duitse aanvallen begin 1918

    Voor de Duitsers was het nu of nooit. Nu de tsaar was afgezet en Rusland zich uit de oorlog had teruggetrokken, hoefden ze alleen nog in het westen te vechten. Bovendien wist iedereen dat de Amerikanen binnenkort honderdduizenden soldaten naar het front zouden sturen. De Duitsers hadden dus haast. Daarom lanceerden ze in maart 1918 een grootscheepse aanval richting Parijs.

    Op 21 maart begon de Duitse aanval. Aanvankelijk leek het erop dat de Duitsers definitief zouden doorbreken. Ze rukten tot 60 km op en maakten 80.000 krijgsgevangenen. Voor het eerst sinds 1914 werd er gevochten in velden, bossen en dorpen die nog ongeschonden waren door het oorlogsgeweld.
    De Duitsers kwamen elke dag dichterbij. Op een afstand van 120 km konden ze met Lange Max, een enorme houwitser, Parijs beschieten. De stad zou zes maanden lang geregeld onder vuur liggen.

    Om het Duitse offensief tegen te houden, moesten de Geallieerden nog nauwer samenwerken. Daarom benoemden ze voor het eerst één man tot opperbevelhebber over alle strijdkrachten. Het was de Franse generaal Foch, die meteen werd gepromoveerd tot maarschalk.
    Na een paar dagen waren de Geallieerden van de eerste schrik bekomen. Ze organiseerden de verdediging, en op 4 april viel de Duitse opmars stil. Maar inmiddels hadden de Duitsers wel de grootste terreinwinst geboekt sinds 1914.

    In mei 1918 vielen de Duitsers aan bij de Aisne. Ze namen de Chemin des Dames in, staken de rivier over en bezetten de stad Soissons. Parijs was nog maar 50 km ver.
    Eigenlijk had Ludendorff tegelijk in Vlaanderen willen aanvallen, maar hij had niet meer genoeg verse troepen om zijn snelle opmars vol te houden. Ziekte, honger en desertie teisterden het uitgeputte en sterk uitgedunde Duitse leger. Langzaam werd duidelijk dat de Duitsers aan het eind van hun krachten waren.

  • De Amerikanen

    En toen kwamen de Amerikanen. Vanaf begin 1918 stuurde de vs een indrukwekkende troepenmacht naar Europa. In juli, augustus en september ontscheepten dagelijks 10.000 Amerikaanse militairen in de Franse havens. Zo raakten de Duitsers elke dag verder in de minderheid.

    De verse troepen uit Amerika gaven de vermoeide Fransen en Britten nieuwe moed. Tegelijk zorgde de confrontatie met de 'Sammies' voor een bescheiden cultuurschok. 'De Amerikanen hebben niks liever dan sardientjes, jam en koekjes', merkte een Franse soldaat hoofdschuddend op. 'Dat mengen ze dan tot één walgelijke brij, die ze doorspoelen met sloten tafelwijn'.

  • De kansen keren...

    Op 8 augustus 1918 keerden de kansen. Die dag vielen Britse, Canadese, Australische en Franse troepen samen aan in de buurt van Amiens. Op één dag gaven 15.000 Duitsers zich over.

    Nu was het hek van de dam. Tussen 8 augustus en 25 september vielen de Geallieerden massaal aan met tanks en vliegtuigen. 140.000 Duitsers werden gevangengenomen, een half miljoen deserteerde. De Duitse nederlaag was nog maar een kwestie van tijd.

    De Geallieerden hadden meer manschappen, meer kanonnen, meer tanks, meer vliegtuigen. In tegenstelling tot de Duitsers in het voorjaar vorderden ze stap voor stap, zodat de infanterie de artillerie kon volgen. Zo drongen ze de vijand langzaam terug.

    In september veroverden de Geallieerden eindelijk de 'onneembare' Hindenburg-linie. Op sommige plaatsen boden de Duitsers hardnekkig weerstand, elders gaven ze zich massaal over.

    Het Oostfront

    Niet alleen in het westen, ook aan het oostfront werd de toestand onhoudbaar voor de Duitsers en hun bondgenoten. De Turken en de Bulgaren werden er overal in de verdediging gedrukt. Eind september gaf Bulgarije zich over. Een maand later deed Turkije hetzelfde.

    De jonge keizer Karl probeerde de Oostenrijks-Hongaarse monarchie en zijn eigen troon nog te redden. Hij beloofde de volkeren in zijn rijk verregaande zelfstandigheid. Maar het was al te laat. In Boedapest brak oproer uit, Tsjechoslovakije en Joegoslavië riepen hun onafhankelijkheid uit, zelfs in Wenen waren er rellen. Eind oktober werd het Oostenrijkse leger onder de voet gelopen door de Italianen. Op 3 november gaf het land zich over.

  • November 1918

    Op 9 november werd in Berlijn de republiek Duitsland uitgeroepen. Wilhelm II kreeg te horen dat hij geen keizer meer was. Vanuit zijn hoofdkwartier in Spa vluchtte hij naar het neutrale Nederland.

    Op 11 november 1918 was het dan eindelijk zover. In Rethondes, bij Compiègne, werd in een treinwagon de Duitse capitulatie ondertekend. Op de elfde van de elfde, om elf uur 's morgens, zwegen de wapens voorgoed. De oorlog was voorbij.

  • De balans

    In de Geallieerde landen was de vreugde enorm. In Brussel liep de stad uit om koning Albert toe te juichen bij zijn feestelijke intrede. In Londen en Parijs klonken saluutschoten en kwamen honderdduizenden mensen op straat. Maar het feestgedruis had een bittere ondertoon: het vaderland was dan wel bevrijd, maar vier jaar oorlog had een ongehoord zware tol geëist.

    In de hele Eerste Wereldoorlog werden er 68 miljoen mannen gemobiliseerd. Daarvan sneuvelden er zowat 9 miljoen ­ bijna evenveel als de totale bevolking van het huidige België.
    Rusland telde 2 miljoen doden, Duitsland 1,8 miljoen, Frankrijk 1,3 miljoen, het Verenigd Koninkrijk 1,1 miljoen en Oostenrijk-Hongarije 1 miljoen.
    Het Belgische leger had ongeveer 40.000 doden te betreuren. Daarnaast kostte de oorlog het leven aan ruim 5.000 Belgische burgers.

    Overal werden de doden herdacht. Over heel het vroegere front werden militaire begraafplaatsen aangelegd. Iedere hoofdstad kreeg zijn Onbekende Soldaat: een naamloze gesneuvelde, aangeduid door een oorlogsblinde. Het kleinste dorp zette een oorlogsmonument.

    De economische tol

    Vier jaar oorlog had ook economisch een zware tol geëist. In de frontstreek moesten dorpen, wegen, bruggen en fabrieken worden heropgebouwd ­ in België was een vijfde van de vooroorlogse infrastructuur vernield. Honderdduizenden hectaren landbouwgrond lagen vol niet-ontplofte explosieven. Nu nog, tientallen jaren later, duiken er in de vroegere frontstreek regelmatig 'blindgangers' op.

    De oorlogvoerende landen waren financieel leeggebloed. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hadden de oorlog dan wel gewonnen, maar ze stonden zwaar in de schuld bij de Verenigde Staten, de nieuwe supermacht. Nooit zouden ze nog zo almachtig worden als ze voor de oorlog waren geweest.

    Duitsland zat economisch aan de grond, onder meer doordat het torenhoge herstelbetalingen moest opbrengen. Er brak dan ook een spectaculaire inflatie uit. Wie geld had, gaf het meteen uit, want een paar uur later was het niet méér waard dan het papier waarop het gedrukt was. Bankbiljetten kregen steeds sneller een nieuwe opdruk: een briefje van tien mark werd honderd mark, duizend mark, een miljoen mark, tien miljoen mark.

  • Het Verdrag van Versailles

    Het Verdrag van Versailles werd ondertekend op 28 juni 1919, precies vijf jaar na de moord in Sarajevo.

    Duitsland

    Het Verdrag van Versailles was erg hard voor Duitsland. Het moest een zevende van zijn grondgebied afstaan. Elzas-Lotharingen ging terug naar Frankrijk. In het oosten verloor Duitsland een flinke lap grond aan het herboren Polen. Kleinere stukken gingen naar Denemarken en, later, Litouwen. Danzig werd een vrijstad. België kreeg de Oostkantons.
    Duitsland moest ook zijn kolonies afgeven. Ze werden als mandaatgebieden verdeeld over de overwinnaars. Zo zou België Ruanda-Urundi gaan besturen.

    Militair en economisch werd Duitsland gekortwiekt. Het Duitse leger mocht nog maar 100.000 man tellen. De vloot werd tot zinken gebracht. Het Saarland, met zijn zware industrie, kwam onder Franse voogdij; het Rijnland werd bezet.

    Om de oorlogsschade te vergoeden, moest Duitsland gigantische herstelbetalingen doen. Alleen al de eerste twee jaar moest het 20 miljoen goudmark betalen.

    Een nieuw Europa

    De Amerikaanse president Wilson vond dat elk volk recht had op zijn eigen staat. Daarom werd Oostenrijk-Hongarije ontbonden.

    Van Oostenrijk zelf schoot nog maar een klein landje over, net als van Hongarije. De rest van het grondgebied werd verdeeld over Polen, Italië, Roemenië en twee nieuwe staten: Tsjechoslovakije en het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen ­ het latere Joegoslavië.

    Van het Ottomaanse Rijk schoot alleen Turkije over. Het Midden-Oosten kwam onder Frans of Brits bestuur.

    Van de overwinnaars mochten vier nieuwe staten zich afscheiden van de Sovjet-Unie: Finland, Estland, Letland en Litouwen. Ook Polen en Roemenië kregen Russisch grondgebied.

    De Volkenbond

    Door het Verdrag van Versailles kwam er ook een Volkenbond. Daarin zouden staten samen overleggen over betwistingen. Maar de verliezers van 14-18 mochten niet meedoen, evenmin als de Sovjet-Unie. Bovendien weigerde de Amerikaanse Senaat het verdrag goed te keuren, ondanks het verzet van president Wilson. Zo werd ook de VS geen lid. De Volkenbond, die na de Tweede Wereldoorlog zou worden opgevolgd door de Verenigde Naties, bleef een reus op lemen voeten.

    Nieuwe machtsverhoudingen

    Na Versailles zag de kaart van Europa er totaal anders uit. Polen, Tsjechoslovakije, Joegoslavië, Estland, Letland, Litouwen en Finland waren nieuwkomers. Roemenië was dubbel zo groot geworden. Duitsland, Rusland, Turkije en vooral Oostenrijk en Hongarije hadden grondgebied verloren.
    Overal in Europa beten eeuwenoude dynastieën in het stof. De Hohenzollern in Duitsland, de Habsburgers in Oostenrijk, de Romanovs in Rusland en de Ottomaanse sultans verdwenen van het toneel.

    De machtsverhoudingen in de wereld zouden nooit meer hetzelfde zijn. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk waren op de terugweg. Langzaam werd duidelijk dat de Verenigde Staten de nieuwe supermacht was. Ook de Sovjet-Unie zou zich opwerken tot een machtig blok.

    In Duitsland zou Adolf Hitler de gehate bepalingen van Versailles één voor één ongedaan maken. Twintig jaar later stond het land klaar om een nieuwe wereldoorlog te beginnen.

  • 1919 - Sociale veranderingen

    Veranderingen

    Het einde van de oorlog was voor velen het begin van een nieuwe tijd. Overal hadden mensen de indruk dat de wereld rijp was voor grote veranderingen. Velen keken hoopvol naar Rusland, waar de revolutie toch maar de tirannieke tsaar had verdreven en waar een nieuwe maatschappij vorm leek te krijgen ­ al werd het land voorlopig nog verscheurd door een bloedige burgeroorlog.

    Overal hing er verandering in de lucht. De achturige werkdag was opeens geen probleem meer, de lonen gingen omhoog en verschillende landen kregen voor het eerst socialistische ministers. Allemaal maatregelen die vier jaar eerder nog ondenkbaar waren geweest, maar nu nauwelijks weerstand opriepen. Zonder deze toegevingen, besefte de burgerij, zouden de arbeiders wel eens revolutionaire ideeën kunnen krijgen.

    Vrouwen

    Vier jaar lang hadden gewone arbeiders en boeren het vaderland verdedigd. Na de oorlog werden ze daarvoor beloond met het algemeen enkelvoudig stemrecht: iedereen kreeg één stem. Enfin, iedereen: in Frankrijk en België zou het nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren voor ook vrouwen mochten stemmen.

    Tijdens de oorlog hadden vrouwen in de industrie en op het land de plaats ingenomen van mannen. Maar na de oorlog werd de klok weer teruggedraaid. De vrouw hoort thuis aan de haard, zo dachten de meeste mannen erover. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou daar langzaam verandering in komen.